Telefoondrama in de polder


Rond midden jaren vijftig van de vorige eeuw was bekend dat de Alexanderpolder een woonwijk moest worden. Gemeente, woningbouwverenigingen, boeren, tuinders en toekomstige bewoners bereidden zich, ieder op hun eigen manier, voor op het grootschalige bouwproject. Hoe zat dat met de PTT? Alhoewel de telefoon in die jaren nog geen basis-voorziening was zoals nu, gold ook toen al dat mensen moesten kunnen telefoneren, zeker als dat een economisch doel diende. De PTT was zich terdege bewust van het feit dat al die nieuwe bewoners straks ook gingen bellen, en dat daarvoor voor-zieningen moesten worden getroffen. Toch liep het helemaal fout.

De eerste bewoners van de polder bezaten weliswaar een prachtig nieuw huis met een telefoon-aansluiting (in PTT-jargon een standaard-aansluitpunt, vanaf 1958 standaard aangebracht in nieuwbouwwoningen), maar konden vooralsnog niets met die aansluiting doen. “Geen telefoon in de Alexanderpolder: een onhoudbare situatie,” kopte het Algemeen Dagblad op 11 mei 1963. Bijna het hele jaar na de oplevering van de eerste woningen konden de nieuwe polderbewoners niet bellen. Wat ging er verkeerd?

De gang van zaken had alles te maken met het investeringsbeleid van de PTT. Door moeilijkheden rond de bouwvergunning voor een nieuwe telefooncentrale in Terbregge die het telefoonverkeer in de polder ging regelen, werd de bouw daarvan vertraagd. Als noodmaatregel besloot de PTT een tijdelijke kabel te trekken tussen de telefooncentrale in het centrum van Rotterdam aan de Botersloot en de polder. De PTT-directie gaf echter de voorkeur aan een andere belangrijke investering. De kabel werd daardoor veel te laat opgeleverd, ruim nadat de eerste bewoners waren gearriveerd. Terwijl de directeur van de Rotterdamse Telefoondienst zich volgens eigen zeggen doodschaamde, doken pers en publiek op het drama. In mei 1963 leidde dat tot de nodige publiciteit.

Ook de Rotterdamse Kamer van Koophandel bemoeide zich ermee. Onder druk van de publieke opinie en na overleg tussen PTT en de regering (die extra geld aan de PTT ter beschikking stelde), kwam in september 1963 eindelijk de noodkabel tussen centrum en polder gereed. Op 11 mei 1965 werd vervolgens de telefooncentrale Terbregge in werking gesteld. De noodkabel bezat een capaciteit van 1200 nummers. Dat gaf voor even lucht, maar optimaal was de situatie zeker niet. De PTT selecteerde de aanvragen voor een telefoonaansluiting. Abonnees die konden aantonen dat ze een telefoontoestel nodig hadden voor hun omzet of om andere economische redenen, maar ook beroepsgroepen als huisartsen en ambulancepersoneel die bereikbaar moesten zijn, kregen voorrang. Bellers die een telefoon wilden voor de sociale contacten belandden op de wachtlijst.

Rotterdam telde in 1965 liefst 18.000 wachtenden. Gaandeweg, maar dan praten we al over de jaren zeventig, zou de telefoonschaarste worden opgelost, zowel in Rotterdam als daarbuiten. De infrastructurele investeringen van de PTT gingen vruchten afwerpen. Tot die tijd meldden zich veel nieuwe poldersbewoners bij de PTT met heel belangrijke en economisch zwaarwegende beroepen!

Bron (o.a.): P.D. Dorsma, Overvloed en tekort. Het beleid van de PTT rond de telefoonvoorziening in het Europoort-gebied 1957-1970 (scriptie EUR 1990).

terug 

 

 

 

Contact

Historische Vereniging Prins Alexander info@hvpa.nl