Geschiedenis
De geschiedenis van de Prins Alexanderpolder: veenmoerassen, weilanden en woonwijken.
lees verder
Activiteiten
De HVPA onderzoekt de geschiedenis en het erfgoed van de Prins Alexanderpolder.
lees verder
Verhalen
Herinneringen en verhalen over het werken en wonen in een polder, zes meter beneden NAP. De HVPA ontvangt ook graag uw verhaal!
lees verder
Foto's en prenten
De HVPA verzamelt historisch beeldmateriaal over de Prins Alexanderpolder. Ook uw oude foto’s zijn meer dan welkom.
Bekijk ook onze fotoverzameling op Flickr.
lees verder
Veen en water (1000-1865)
Het gebied van de huidige Alexanderpolder bestond in de Middeleeuwen uit een uitgestrekt laagveengebied met hier en daar wat bomen, riet, en vooral moeras met veenmos. Voor eigen gebruik werd veen boven de grondwaterspiegel afgestoken en na droging gebruikt voor verwarming. Zo ontstonden turfputten of petgaten. In het recreatiegebied Hitland bij Nieuwerkerk aan de IJssel zijn nog een aantal overblijfselen van deze kleinschalige turfwinning te zien.
Met het toenemen van de welvaart ging turf ook gebruikt worden voor de opkomende nijverheid en de verwarming van huizen in de alsmaar groeiende steden. In de zeventiende en achttiende eeuw was turf de belangrijkste energiebron voor het welvarende Holland. De turfwinning werd grootschaliger aangepakt. Het veen werd vanaf grote platte voertuigen rechtstreeks uit het drassige land of uit het water geschept en gebaggerd.
Voor het platteland waren op de langere termijn de gevolgen desaustreus. Overal waar de verveners klaar waren, was land in water veranderd. Ten oosten van Rotterdam ontstond zodoende een gebied van uitgestrekte plassen. Tussen de plassen lagen stroken land van variërende breedte. Soms ging het alleen om kaden, soms ook om wat bebouwing. Dit landschap was vissers gunstig gezind. Voor de meeste bewoners had het echter ernstige nadelen. Met storm sloeg het water uit de plassen niet zelden over paden, wegen en dijken.
Aanvankelijk geďsoleerde plassen groeiden door de immer hongerige ‘waterwolf’ aaneen en zorgden voor voortdurend overstromingsgevaar. Zowel in de achttiende als negentiende eeuw werd daarom door het Hoogheemraadschap Schieland beperkingen gesteld aan de turfwinning rond de ’s-Gravenweg. Voor de bewoners van het dorp Kralingen, dat via de Kralingse Kerklaan was verbonden met de ’s-Gravenweg, kwamen deze maatregelen echter te laat. Hun dorp was aan het begin van de negentiende eeuw door de vervening omringd door water. Een normaal bestaan was niet meer mogelijk. De dorpelingen vertrokken daarom naar hooggelegen gebied: de Oudedijk in Rotterdam-Kralingen. Alleen de begraafplaats Oud-Kralingen bleef achter, tot op de dag van vandaag.