Naar de veiling!
DroogmakerijenDe plannen voor de droogmaking van de polder Prins Alexander hadden alles te maken met deze watersnood. Eerdere droogmakerijen uit de zeventiende en de eerste helft van de negentiende eeuw, zoals de Beemster in Noord-Holland en de Zuidplas bij Nieuwerkerk aan den IJssel, waren bestemd voor landbouw. Zo ook de polder Prins Alexander die in 1875 in mooie rechthoekige kavels werd verdeeld van elk 1000 meter lang, met een weg aan de voorkant en een sloot aan de achterkant. De boeren konden nu aan de slag. TuinbouwbedrijvenIn praktijk bleek de grond door zijn drassigheid echter minder geschikt voor akkerbouw. Vijfentwintig jaar nadat de eerste boeren zich hadden gevestigd, was nog maar een heel klein deel van de poldergrond in gebruik voor landbouw. Massaal stapten de agrariërs over op tuinbouw en veeteelt, landgebruik waar de slappe klei en het drassige laagveen zich beter voor leenden. Eendracht maakt machtDe Rotterdamse groenten- en fruitmarkten vonden vanouds plaats aan de noordzijde van de stad in de buurt van de Rotte. Tot 1899 aan het Hofplein, na 1899 bij het Noordplein. De tuinbouwer was weliswaar baas in eigen tuin maar tegelijkertijd speelbal van de belangen van de handelaar. Na de eeuwwisseling vond de coöperatieve gedachte opgang. In 1911 richtten circa tachtig Rotterdamse tuinders de ‘Coöperatieve Tuinbouwveiling Rotterdam en Omstreken’ op. Onder de leden van het eerste uur bevonden zich bekende Rotterdamse namen als Mast en Toxopeus. Dankzij de coöperatie konden de tuinders een sterkere vuist maken richting handelaren. Handelaren waren uit op zo laag mogelijke, tuinders op zo hoog mogelijke prijzen, en eendracht maakte nu eenmaal macht. Tegelijkertijd betekende de coöperatie dat meer eisen werden gesteld aan een uniform product. Werd mindere kwaliteit vroeger nog wel verkocht, voortaan was er sprake van doordraaien of nam de tuinder zelfs niet meer de moeite zijn mindere producten ter veiling aan te bieden. Het tuindersbedrijf was, ondanks het bestaan van coöperatie en veiling, voor de ondernemers in de Alexanderpolder hoe dan ook een hard bestaan met lange dagen en kleine marges. Enorme groeiAls eerste veilinggebouw van de coöperatie fungeerde van 1904 tot 1913 een pand aan het Strooveer bij het Hofplein. In 1913 werd een groter pand aan de Zwaanhalskade (toen Fabriekskade) langs de Rotte betrokken. Vanuit de polder brachten de tuinders de groenten met paard en wagen of per schuit over de Rotte naar de stad. Geleidelijk aan, en zeker na de Tweede Wereldoorlog, vond het transport in toenemende mate plaats per vrachtwagen. In de tussentijd maakte de Rotterdamse veiling een enorme groei door: bedroeg de omzet in 1913 nog geen 1 miljoen gulden, in 1960 ging het om bijna veertig miljoen gulden. Zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog zorgden voor ernstige fluctuaties in afzet en prijzen, maar in het algemeen gold dat naast Rotterdam het buitenland, met name Duitsland, een belangrijke en groeiende afzetmarkt was. En de leden van ‘Rotterdam en Omstreken’ hadden kennelijk een vooruitziende blik: exporthandel van groenten en fruit vond vrijwel uitsluitend plaats via de veiling. Internationaal bedrijfMet het oog op de gunstige marktontwikkelingen en de stijgende omzetten belandde de Rotterdamse veiling in 1953 op een grotere locatie: aan de Veilingweg bij de Boezembocht, ongeveer op de plaats van het huidige politiebureau, en met een directe toegang tot het spoorwegnet. Ruim tien jaar later was wegens ruimtegebrek alweer een nieuwe verhuizing nood-zakelijk. In 1967 werd grond aangekocht voor een nieuw veilingterrein in de Klappolder bij Bleiswijk (ten zuiden van de Rijksweg Den Haag-Utrecht). In 1972 kon daar de eerste veilingdag gehouden worden. Via diverse fusies en overnames ontwikkelde de ‘Coöperatieve Tuinbouw-veiling Rotterdam en Omstreken’ zich tot het internationale bedrijf The Greenery, met 1250 aangesloten bedrijven en 2500 werknemers. OnteigeningsproceduresDe tuinders in de Prins Alexanderpolder maakten deze internationale expansie helaas niet meer mee. Al voor de Tweede Wereldoorlog moesten sommige tuinders aan de Hoofdweg het veld ruimen vanwege de verkeersplannen bij het Terbregseplein. Na de Tweede Wereldoorlog speelden de uitbreidings-plannen van Rotterdam: de Alexander-polder werd aangewezen als woon-gebied. Vanaf het begin van de jaren zestig ontvingen tuinders in de polder een investeringsverbod, waardoor het overstappen op nieuwe technologie (gas in plaats van kolenstook) niet meer mogelijk was. Onteigeningsprocedures werden opgestart, die tot in de jaren zeventig konden duren. In de omgeving van de Dosiostraat stonden nog lange tijd verwaarloosde kassen. Dr. Onno de Wit
|