Woongebied (1963-2010)Kort na de Tweede Wereldoorlog ging de gemeente Rotterdam ervan uit dat de stadsbevolking flink zou gaan toenemen. Het was de tijd van de wederopbouw, en Rotterdam profiteerde daarvan in aanzienlijke mate dankzij de gunstige economische en geografische ligging. Met de toenemende werkgelegenheid steeg ook de behoefte aan woonruimte. In combinatie met het naoorloogse woningtekort was duidelijk dat er nieuw woongebied moest bijkomen. Sprong naar OostTen oosten van Rotterdam viel het oog van de planologen en stedenbouwers op het gebied van de Prins Alexanderpolder, dat zowel de gemeenten Rotterdam als Capelle aan den IJssel omvat. Er werd daarbij niet zo moeilijk gedaan over het feit dat de bestaande tuin- en landbouw in dit gebied dan moest verdwijnen; in verschillende studies werd de grond als “de slechtste van Zuid-Holland” bestempeld. Het dreigende ruimtetekort en de woningnood ging voor, waarbij de ‘Sprong naar Oost’ ook nog als een mooi tegenwicht gezien werd van de al bestaande uitbreidingen van Rotterdam in westelijke richting. AlexanderstadVoor het ontwerp van de nieuwe satelietstad van Rotterdam in de polder richtten beide gemeenten in 1954 de Werkcommissie voor het ontwikkelingsplan van Rotterdam Oost op binnen de Dienst voor Stadsontwikkeling en Wederopbouw van Rotterdam, in samenwerking met de Provinciale Planologische Dienst en het Instituut Stad en Landschap als vertegenwoordiger van de gemeente Capelle aan den IJssel. In de volksmond werd al snel gesproken van Alexanderstad; de teamleden zelf spraken van ROCA (Rotterdam-Capelle aan den IJssel). Vanaf 1957 maakte de Werkcommissie Oost een aantal schetsen en plannen voor de nieuwe stad, die als kader dienden voor de latere wijken Het Lage Land, Ommoord en Zevenkamp. Naast dit formele planproces van de Alexanderpolder liep een tweede en wat meer theoretisch traject rond de architectengroep en –vereniging Opbouw. Leden van Opbouw presenteerden studieplannen en ontwerpen tijdens de Internationale Congressen voor het Nieuwe Bouwen (CIAM). Overigens liepen in de praktijk beide planprocessen in elkaar over. De hoofdontwerper van Het Lage Land en Ommoord, de idealistische architecte en stedenbouwkundige Lotte Stam-Beese, was zowel prominent lid van Opbouw als voorzitter van de Werkcommissie Oost en stedenbouwkundig hoofdarchitect bij de Dienst Stadsontwikkeling en Wederopbouw. WijkgedachteBelangrijkste idee achter de opzet van zowel Het Lage Land als Ommoord was de ‘wijkgedachte’. De nieuwe wijk was een relatief zelfstandige eenheid met een hoog voorzieningenniveau, die uiteenviel in een aantal herkenbare en overzichtelijke buurten die een sociale eenheid vormden. Bewoners bezaten, omdat ze zich identificeerden met hun woonomgeving op buurt- en wijkniveau, een zeker gemeenschapsgevoel en een min of meer gedeelde levensstijl. In ieder geval dienden de wijken volgens Stam-Beese als een eenheid gezien te worden: “Alexanderpolder is een poging om het leven in een wijk, het wonen, het verkeer, de recreatie, als een zo volledig mogelijk geheel te doorgronden.”[1] Herhaalbare wooneenhedenGekoppeld aan het idee van de wijkgedachte en de onderverdeling in buurten was dat van de herhaalbare wooneenheden, zogeheten modulen of stempels. Buurten werden gevormd door een herhaling van wooneenheden: blokken portiek- en etagewoningen, laagbouwwoningen, hoogbouwflats en groenvoorzieningen, die systematisch herhaald werden. Systeembouw vond overigens ook plaats op het niveau van woningcomplexen door middel van gestandaardiseerde bouwsystemen (montagebouw). Zowel in Het Lage Land als in Ommoord zien we beide ideeën duidelijk terug in de vormgeving van de wijken, met als aantekening dat waar in Het Lage Land laag- en hoogbouw elkaar afwisselden om een benauwende eenvormige verkaveling te voorkomen, de stempels met flats in Ommoord volledig geconcentreerd zijn in het centrum van de wijk, wat gezien werd als een voordeel voor een efficiënte productiestroom. Uiteindelijk ging het immers nog steeds om naoorloogse wederopbouw en moest er dus productie gedraaid worden. Voor beide wijken was er desondanks sprake van een ruim opgezette verkaveling en veel groen, die op termijn de flats ook aan het oog zouden gaan onttrekken. “De strakheid en hoogte der gevels zullen straks aan het gezicht ontrokken zijn, de gebouwen zullen op het tweede plan komen te staan. Het gezichtsveld zal bepaald worden door de afwisseling van hoge boomgroepen en open grasveld, van rustige zithoeken en drukke speelgelegenheden, van water en het soepel verloop van wandelpaden; allemaal elementen in karakter, maat en vorm van kind af aan verwant en vertrouwd aan de mens.”[2] Hoog voorzieningenniveauIn lijn met het idee van een hoog voorzieningenniveau waren ook de bouw van een groot aantal (buurt)winkelcentra, sportvelden, scholen, kerken, buurthuizen en bedrijfsruimtes. In 1968 opende het NS-treinstation, gelegen nabij de Hoofdweg tussen Het Lage Land en Ommoord. Metronlijnen maakten op de tekentafel weliswaar al vanaf het begin van de jaren zestig deel uit van de infrastructuur van de nieuwe wijken, maar pas in 1983 werd de metrolijn vanuit Rotterdam naar Ommoord en later ook Zevenkamp gerealiseerd. Laagste deel van NederlandDe eerste bewoners van Het Lage Land arriveerden in 1964 en konden aanspraak maken te wonen in het laagste deel van Nederland, circa 6.6 meter onder NAP. De grote behoefte aan nieuwe woningen was aanleiding geweest voor een snelle start van de bouw, waardoor het ophogen van het gebied met zand achterwege was gelaten. De eerste bewoners van Ommoord, ‘de Rotterdamse Sahara’, meldden zich in 1967, twee jaar na het begin van de bouw. KleinschaligheidVanaf de tweede helft van de jaren zestig voltrok zich een omslag in het stedenbouwkundig denken. Waar Lotte Stam-Beese inzette op grootschaligheid, openheid en grotere herhaalbare wooneenheden, daar hechtten latere stedenbouwkundige meer belang aan kleinschaligheid en variatie. Daarnaast ontstonden er twijfels over de voordelen van hoogbouw, en werden er vraagtekens gezet bij het idee dat wooneenheden het gemeenschapsleven zouden bevorderen. Deze veranderingen in stedenbouwkundige uitgangspunten zijn nog terug te zien in Ommoord (waar tot in de jaren tachtig werd gebouwd), maar vooral ook in Oosterflank en Zevenkamp. Kleinschalige en gevarieerde hofjes, kronkelige wegen en de auto dichtbij voor de deur of zelfs onder het huis, domineerden het wijkbeeld, soms tot wanhoop van de postbode. Gezelligheid en soms zelfs kneuterigheid werden troef. De bebouwingsdichtheid was ook een stuk hoger dan in de eerste nieuwbouwwijken, wat ten koste ging van de groenvoorzieningen. Alhoewel de echte woningnood voorbij was, veroorzaakte de renovatie van de oude Rotterdamse stadswijken veel bewonersmobiliteit naar het oosten van de stad. Productievolume speelde dus nog steeds een belangrijke rol. Persoonlijke levensstijlDe meest recente wijken van de Alexanderpolder – ’s-Gravenland, Prinsenland en Nesselande – laten weer nieuwe ontwikkelingen zien. Omdat dit de huidige periode is, zijn nog slechts de contouren zichtbaar van wat wel genoemd wordt de omslag naar duurzaam bouwen. Het idee van gemeenschapsgevoel en eenzelfde levensstijlen lijkt nog verder in diskrediet geraakt. Collectivisme heeft plaats gemaakt voor individualisme. Bewoners in de polder trekken zich terug achter de (riante) voordeur of zelfs op hun eigen, individuele kavel. De woningen zijn groter en qua inrichting luxer geworden en tegelijkertijd onderdeel geworden van de uitdrukking van geheel persoonlijke levensstijl. In plaats van wijk- en buurtbeleving is de individuele woonbeleving op de voorgrond komen staan. Bewoners zijn naast huurder en koper eerst en vooral consument geworden. Om tegemoet te komen aan deze nieuwe woonstijlen zijn de wijken speelser en minder strak, hiërarchisch en geordend opgezet. Tegenover het functionalisme en de rationaliteit van de wederopbouw met zijn streven naar regelmaat en ordening is het idee gekomen dat de mens een gevoel van natuurlijkheid terug moet krijgen, als tegenwicht voor het jachtige en veeleisende leven en de drukke baan. De combinatie van de functie wonen met de functie recreatie en het klassieke vakantiegevoel dat in de buurt Badplaats van de nieuwe Vinexwijk Nesselande heeft vormgekregen, is dan ook geen toeval. Historische elementenEen ander element van het nieuwe bouwen en wonen is dat in de nieuwste woonwijken van de Alexanderpolder weer ruimte is voor het verleden. Waar Lotte Stam-Beese op het platte vlak vanuit het niets een nieuwe stad tekende, daar maakt de huidige generatie van stedenbouwkundigen en planologen dankbaar gebruik van bestaande ruimtelijke en historische elementen zoals linten en waterlopen. Voorbeelden hiervan zijn de inpassing van de begraafplaats Oud Kralingen in Prinsenland, de ’s-Gravenweg in ’s-Gravenland, en de Wollefoppenweg in Nesselande. Landschappelijk waardevolle elementen maken zo niet alleen een verbinding tussen nieuwbouw en landschappelijke context, maar ook tussen verleden, heden en toekomst. Eigen karakter?Een overzicht van de verschillende uitgangspunten die in de loop van vijftig jaar gekozen zijn bij de bouw van de wijken in de Prins Alexanderpolder laat zien dat het gaat om een relatief losse verzameling wijken met elk hun eigen karakter. Weliswaar gaat het daarbij in totaliteit om een gebied met circa negentigduizend inwoners (een middelgrote Nederlandse stad dus), maar van grote functionele en ruimtelijke samenhang in combinatie met een eigen stedelijke cultuur is geen sprake. De Alexanderpolder heeft haar imago van pure satellietstad van Rotterdam in de afgelopen jaren enigszins achter zich gelaten, niet in het minst door een hoogwaardige infrastructuur, een indrukwekkend kantorenpark, en een winkelcentrum met regionale en zelfs nationale uitstraling. Recentelijk is evenwel geconstateerd dat deze zogeheten Alexanderknoop het gevoel mist van een echt (stadsdeel)centrum, zodat de vraag blijft wat de relatie is tussen de Alexanderpolder en de binnenstad, en tussen de Alexanderpolder en het haar nog omringende platteland. Zo bezien blijft het zelfs vijftig jaar na het begin van de woningbouw in de Alexanderpolder nog de vraag, of de ‘Alexanderstad’ wel een echte stad is. De identiteiten van de verschillende wijken zijn evident; voor de Alexanderpolder als geheel resteert nog steeds een vraagteken. Dr. Onno de Wit Bronnen W. Beeren et al., Het Nieuwe Bouwen in Rotterdam 1920-1960 (Uitgave Museum Boymans-van Beuningen/Delft University Press, 1982). A. Blom, B. Jansen, M. Van der Heide, De typologie van de vroeg-naoorlogse woonwijken (Projectteam Wederopbouw van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 2004, Zeist). H. Damen en A.M. Devolder (red.), Lotte Stam-Beese 1903-1988 (Rotterdamse Kunststichting/Uitgeverij De Hef, Rotterdam, 1983). A.M. Devolder (red.), De Alexanderpolder. Waar de stad verder gaat/Alexanderpolder. New urban frontiers (Uitgeverij THOTH , Bussum/AIR Alexander, 1993). Integrale visie Alexanderknoop (Bestuur Deelgemeente Prins Alexander en dS+V Rotterdam, 2009). K. Zweerink (red.), Van Pendrecht tot Ommoord. Geschiedenis en toekomst van de naoorloogse wijken in Rotterdam (Uitgeverij THOTH, Bussum, 2005).
Noten [1] Lotte Stam-Beese, 1953. Geciteerd door J. Schilt, “1947-1957: tien jaar ‘Opbouw’”, in W. Beeren et al., Het Nieuwe Bouwen in Rotterdam 1920-1960 (Museum Boymans-van Beuningen/Delft University Press, 1982), p. 70. [2] Lotte Stam-Beese, “Gedachten rondom de nieuwe wijk Ommoord”, ongedateerd. Geciteerd door H. Damen en A.M. Devolder, “Stedebouwkundig oeuvre”, in H. Damen en A.M. Devolder (red.), Lotte Stam-Beese 1903-1988 (Rotterdamse Kunststichting/Uitgeverij De Hef, Rotterdam, 1983), p. 91.
|